Sint Bonaventura
Bezieling en bezinning in het onderwijs

Islamitisch onderwijs / Islamschool hoort thuis in vrije Westen (Opinie)

door S. Miedema–  22 september 2006

Islamitische scholen zijn goed verenigbaar met het moderne Westen. De islamitische pedagogiek kent een lange traditie van onafhankelijke en individuele oordeelsvorming.

Het al langer lopende debat in ons land over de vraag of religie nu wel of geen plaats zou moeten krijgen in het onderwijs, heeft na 11 september 2001 en de moord op Theo van Gogh op 2 november 2004 een extra zwengel gekregen. Met name de vraag of de sociale cohesie gediend is met een toename van het aantal islamitische scholen, heeft dat debat zelfs grimmige trekken verleend.

Wanneer we de discussies over de islam en islamitisch onderwijs van de laatste vijf jaar op een rij zetten dan overheerst heel sterk één opvatting: de islam is niet verenigbaar met het moderne Westen. Hij botst met onze sociaal-democratische waarden, is onverenigbaar met het Verlichtingsdenken dat ons westerse denken door en door geïmpregneerd heeft. Islamitische scholen kunnen gemakkelijk verworden tot afgesloten religieuze en culturele enclaves. We zijn de verzuiling voorbij en mogelijkheden die tot een verdergaande en ongewenste herzuiling in het onderwijs kunnen leiden, moeten beknot worden.

De eindeloze herhaling van deze mantra’s en vooral de bijna fundamentalistische aanname dat de islam en het moderne Westen een onoverbrugbare tegenstelling vormen, is voor de algemeen-pedagoge prof. dr. Wilna Meijer de belangrijkste drijfveer geworden om zich grondig te bezinnen op het islamitisch onderwijs. Onlangs werd haar boek ’Traditie en toekomst van het islamitisch onderwijs’ in het Nationaal Onderwijsmuseum te Rotterdam uitgereikt aan de Amsterdamse wethouder Ahmed Aboutaleb.

Wilna Meijer heeft een uiterst belangwekkend boek geschreven voor iedereen in politiek, wetenschap en bestuur die meent zich te moeten uitlaten over islamitisch onderwijs. Voor iedereen ook die dat wil doen op basis van grondige lectuur in plaats van kort door de bocht te gaan met ongefundeerde en uiterst boude stellingen, zogeheten ’short cuts’. Zij is op zoek gegaan naar de islamitische pedagogiek, het pedagogische denken en doen dat met de islam als religie is verweven en in de termen daarvan is te verwoorden en te verantwoorden. Hieraan is in het Westen nog nagenoeg geen aandacht besteed. Wel is tot nu toe aandacht geschonken aan feitelijk onder moslims aan te treffen pedagogische opvattingen en praktijken, de zogenoemde moslimpedagogiek. Die moslimpedagogiek is beperkter van reikwijdte dan de islamitische pedagogiek en biedt nauwelijks zicht op de rijke pedagogische traditie en de diepgaande discussies die binnen de islam zelf ter zake zijn gevoerd. Meijer kritiseert een short-cut to tradition, zoals bij de wedergeboren islamitische jongeren in het Westen die zich via internet manifesteren met hun opvatting van de zuivere, universele islam en die volledig voorbijgaan aan de rijke intellectuele geschiedenis van de islam. Maar ook met een Hirsi Aliaanse short-cut to enlightenment maakt ze korte metten, waarin moslims wordt opgeroepen hun religie buiten het publieke domein te houden. In opvoeding, vorming en onderwijs gaat het juist om het evenwicht tussen traditie en verlichting, tussen inleiden in cultuur en kritische reflectie op die cultuur.

Om aan de heilloze herhalingen in het debat te ontkomen, heeft Meijer voor een historische omweg gekozen en zich gericht op de traditionele islamitische intellectuele cultuur zoals die bloeide in de Middeleeuwen. Die speurtocht heeft haar geleerd dat ook binnen de orale traditie van de islam vorming gericht was op de onafhankelijke, individuele en dus verlichte oordeelsvorming, de idjtihad. Het is een mythe om te menen dat zulke vorming slechts mogelijk is binnen een cultuur van geletterdheid.

Die idjtihad-traditie is binnen de islam altijd aanwezig geweest. We treffen haar vandaag de dag aan bij moslimmodernisten die naar vernieuwing en hervorming van de islam streven. Ze ontbreekt daarentegen bij moslim-fundamentalisten die zich van de short-cut to tradition bedienen. De idjtihad-traditie biedt evenwel mogelijkheden om voorbij te komen aan de ongenuanceerde stelling dat de islam niet verenigbaar is met het moderne Westen. Islamitisch onderwijs in de moderne westerse context kan pedagogisch verantwoord onderwijs bieden dat zich tot doel stelt dat leerlingen zich een eigen onafhankelijk oordeel over de eigen religieuze traditie vormen. Op basis van kennis, inzicht en kritische reflectie kan tegenwicht geboden worden aan de van ’kaft tot kaft islam’.

Door verder te gaan in de lijn van deze idjtihad-traditie wordt een dam opgeworpen voor die Verlichtingsfundamentalisten die menen dat religie niet thuishoort in het publieke domein, en dat moslims hun godsdienst thuis moeten laten als ze de agora betreden. Goed zicht op islamitisch onderwijs, onderwijs waarin de balans van traditie en verlichting beoogd wordt, biedt nieuwe mogelijkheden voor nu en de toekomst. Deze richting sluit ook naadloos aan bij de oproep van Job Cohen (Trouw, 12 september), dat ruimte om van elkaar te mogen verschillen in een religieus pluralistische samenleving verbonden moet worden met opvoeding, vorming en onderwijs waarin respect voor deze pluraliteit wordt bijgebracht.

Prof.dr. S. Miedema is als algemeen-pedagoog en godsdienst-pedagoog verbonden aan de Vrije Universiteit.