Sint Bonaventura
Bezieling en bezinning in het onderwijs


EEN TERUGBLIK OP 100 JAAR SINT BONAVENTURA

Lezing van Harrie Meelen op het symposium ter gelegenheid van het 100 jarig bestaan van de katholieke lerarenvereniging Sint Bonaventura. 

Den Bosch,
16 november 2018

Het was afgelopen 23 juni exact honderd jaar geleden dat in dit hotel Central de R.K. lerarenvereniging Sint-Bonaventura  werd opgericht. Een katholieke lerarenvereniging behoefde natuurlijk een schutspatroon. Dit werd Bonaventura. Bonaventura werd in 1217 geboren als Giovanni Fidanza in het Italiaanse plaatsje Bagnoregio. Het is niet onwaarschijnlijk dat u dit idyllische dorpje op een heuvel circa 100 kilometer ten noorden van Rome kent. Albert Heijn nam enkele jaren geleden een aantal van haar bekndste t.v-commercials daar op. Het is de moeite van een bezoek zeker waard, temeer aldaar ook nog een stuk van de arm van Bonaventura wordt bewaard en als relikwie vereerd. De naam Bonaventura zou afkomstig zijn van Sint-Franciscus toen hij bij het geschieden van een wonder in aanwezigheid van Giovanni de kreet “O buona ventura” slaakte. Bonaventura maakte faam als scholastiek theoloog aan de universiteit van Parijs en werd reeds 8 jaar na zijn dood in 1274 heilig verklaard. Waarschijnlijk, want het is nooit helemaal opgehelderd, is deze heilige  voor onze vereniging te danken aan de aanwezigheid van pater Bonaventura Vermeulen, toenmalig rector van het Eindhovense Augustinianum , bij de oprichtingsvergadering in 1918. Van den Donk, rector van de eerste Eindhovens school van Ons Middelbaar Onderwijs werd toen onze eerste voorzitter.  

De oprichting van Bonaventura in 1918 had alles te maken met een belangrijke historische gebeurtenis van een jaar eerder. In ons land kwam toen door een unieke uitruil van politieke stokpaardjes een pacificatie tot stand tussen de grote politieke stromingen. Dit betekende voor het onderwijs dat scholen gebaseerd op protestants-christelijke en katholieke grondslag vanaf dat jaar, evenals het openbaar onderwijs, volledig door de overheid werden bekostigd. Dit leidde al snel daarna tot de oprichting, ook door leken, en dat was nieuw in de katholieke wereld van die tijd,  tot tal van scholen met name in het middelbaar onderwijs. En enkele jaren later  ging de overgrote meerderheid van de Nederlandse jeugd naar scholen op godsdienstige grondslag. Honderd jaar later, in een inmiddels grotendeels ontkerkelijkt en niet gelovig Nederland, weet het confessionele onderwijs nog steeds een kleine 70% van de leerlingen aan zich te binden. Wat hier in de eeuwen daarvoor aan voorafging wil ik gekoppeld aan een blik in de toekomst graag voor het voetlicht brengen.

Rond 800 na Christus ontstonden er in de lage landen, met name door toedoen van Karel de Grote, in enkele bisschopssteden de eerste scholen. Het onderwijs werd aan de Kerk opgedragen en er werd , alleen bestemd voor  jongens, in het Latijn onderwezen. Voornamelijk ter voorbereiding op kerkelijk functies. De opkomst van de steden vanaf de twaalfde eeuw en de daarbij horende toenemende betekenis van handel, nijverheid en dienstverlening leidde tot een groeiende behoefte aan mensen die konden lezen, schrijven en rekenen. Het onderwijs werd daardoor steeds meer ook een zaak van burgerlijke autoriteiten waardoor de kerkelijke invloed wat afnam.

Tegen het einde van de vijftiende eeuw zorgden de uitvinding van de boekdrukkunst, de Renaissance met haar humanistische idealen en voor al de Reformatie, die de gelovigen opriep tot persoonlijke bestudering van de Bijbel in de landstaal, ervoor dat het aantal mensen dat kon lezen en schrijven snel toenam. Nederland nam in de “gouden” zeventiende eeuw een bijzondere positie in. Bijna elk dorp en stad had zijn eigen lagere school waar de meerderheid van de kinderen naar toe ging. Middelbaar en hoger onderwijs bleef voorbehouden aan de hogere maatschappelijke standen op de “Franse” of  “Latijnse” scholen. Liefst  50% van de bevolking kon, vaak tot verbazing van buitenlandse bezoekers in die tijd, lezen en schrijven. Deze vaardigheden werden overigens geheel ingebed in godsdienstige vorming, naar gelang het landsdeel of op  reformatorisch of contrareformatorische (katholieke) basis. Op school ging het namelijk primair om ‘goddelijke leeringhe, christelijke manieren, vreeze des Heeren en zedigheyt en gehoorsaemheyt’. 

Het einde van de 80-jarige oorlog in 1648 had voor de overwegend katholieke Generaliteitslanden(Noord-Brabant, Limburg en Zeeuws –Vlaanderen) wel een zekere achteruitgang van de alfabetisering tot gevolg. Veel ouders hielden vanwege de vaak door de overheid aangestelde protestantse schoolmeesters hun kinderen thuis. Op de meeste scholen werden tucht en orde in die tijd  vaak met harde hand gehandhaafd en werd het onderwijs vooral individueel gegeven. In de loop van de achttiende eeuw brachten de Verlichting en de daarbij behorende nieuwe pedagogische uitgangspunten geleidelijk een verandering op gang.  Maar een echte ommekeer vond plaats nadat de republiek in 1795 door de komst van de Fransen ten onderging. Tijdens de daarop volgende Bataafse Republiek werd het huidige Nederland een eenheidsstaat met een grondwet en kwam in 1806 de eerste nationale schoolwet voor het lager onderwijs tot stand. Verlichte pedagogische ideeën en invoering van klassikaal onderwijs vonden toen  hun ingang. Kinderen moesten worden opgevoed tot ‘alle maatschappelijke en christelijke’ deugden. Leerplicht kwam er vooralsnog niet en met uitzondering van gemeentelijke ‘armenscholen’ werd het onderwijs niet gefinancierd door de overheid. Uitdrukkelijk werd ook bepaald dat leerstellige onderwerpen van kerkgenootschappen in het onderwijs taboe waren. In de alledaagse praktijk bleek dat de opvoeding tot christelijk deugden vooral door het geloof van de meester werd bepaald. Door de teruggekeerde godsdienstvrijheid betekende dit voor het Zuiden van ons land dat het onderwijs vaker katholiek werd ingekleurd. Deze situatie bleef voortbestaan tot 1848.

De grondwetswijziging van Thorbecke die van Nederland een parlementaire democratie maakte, hield ook vrijheid van onderwijs en vereniging in. Dit leidde tot de schoolwet van 1857 . Slechts het onderwijs van overheidswege werd door de overheid bekostigd. Een nieuwe schoolwet in 1878 welke een aantal kostbare deugdelijkheidseisen bevatte met betrekking o.a. tot klassengrootte en salariëring maakte confessioneel  onderwijs nog duurder en ook het benodigde schoolgeld voor de ouders hoger. Dit werd de directe aanleiding voor de schoolstrijd van de confessionele partijen die in 1917 met de pacificatie en de daaruit voortvloeiende financiële gelijkstelling werd beslecht. Door een andere ontwikkeling was het aantal  katholieke scholen inmiddels aanzienlijk gegroeid. Het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie in 1853 en het daarna krachtig op gang gekomen emancipatiestreven van de Nederlandse katholieken leidde  tot de oprichting van talrijke zowel mannelijke als vrouwelijk ordes en congregaties van religieuzen die vaak ook het geven van onderwijs als doelstelling hadden. Paters, broeders en zusters stichtten scholen en werkten daar vaak voor een geringe vergoeding  of zelfs zonder salaris hetgeen de toegankelijk van het onderwijs zeer ten goede kwam. 

Na 1917 ontstond in een land dat op talrijke gebieden geheel verzuild raakte al snel een dekkend netwerk van katholieke en protestants-christelijke scholen. Tot ver in de jaren zestig van de twintigste eeuw bezocht circa 80% van de Nederlandse scholieren een confessionele school. Deze scholen droegen vooral ook bij aan de emancipatie van een groot gedeelte van de Nederlandse bevolking.  Mijn eigen geschiedenis getuigt daar ook van. In het huidige tijdsgewricht waarin ook ernstige misstappen binnen het katholiek religieus onderwijs naar boven komen, raakt wel eens vergeten dat het katholieke, door leken en religieuzen verzorgde  onderwijs voor ontelbaar velen stijging op de maatschappelijke ladder mogelijk maakte.  Zo kwam ik zelf afkomstig uit een eenvoudig milieu uit de Eindhovens bloemenbuurt op het Gymnasium van de paters Augustijnen terecht. De paters hanteerden de “gouden kop of gouden kont” regeling. De slimme jongens van de lagere scholen waarvan de ouders het niet konden betalen kregen de boeken en andere zaken gratis. De kinderen met een gouden kont op het internaat financierden dit als het ware. Mijn broer haalde zijn gymnasium–diploma op het ook gratis klein-seminarie in Sint –Michielsgestel. Opgegroeid in deze katholieke wereld ging ik natuurlijk in Nijmegen studeren. En na mijn afstuderen werd ik als docent geschiedenis op hetzelfde Augustinianum al snel lid van een vakbond. Lid worden van een bond prentte mijn vader mij in, is nodig jongen ,want het “groot” in deze wereld is niet te vertrouwen zo zei hij altijd. Op mijn school bleek een oud-bestuurslid van Bonaventura werkzaam te zijn, Henk de Vaan. Ik moest me maar aansluiten bij zijn club voor voortgezet onderwijs die inmiddels als een van de zelfstandige afdelingen van het in 1972 ontstane Nederlands Genootschap van Leraren fungeerde. Een van de eerste activiteiten waarbij ik bewust als Bona-lid betrokken raakte bracht me in een tot dan toe voor mij onbekende wereld. Henk de Vaan deelde mij vertrouwelijk mede dat er een probleem uit het verleden moest worden opgelost. Dit kon maar beter niet bekend worden. Hij had thuis een envelop gevonden met enkele honderden guldens van het Eindhovense district die hij bij de fusie vergeten was in te leveren. Of dat op een discrete manier kon verdwijnen. Dat verdwijnen vond plaats in een uitstekend Eindhovens restaurant waarbij ook de wederhelften van de plaatselijke bestuursleden aan tafel zaten. Ik heb er nog wel eens aan gedacht toen ik vele jaren later lid werd van de financiële commissie van de AOb. Overigens is de bijzondere Bourgondische eetcultuur van Bonaventura, tijdens congressen overal in den lande  en vergaderingen die tot de opening van het nieuwe hoofdkantoor in Utrecht hier plaatsvonden, in stand gebleven. Met dank ook met name aan de onlangs overleden gastheer van Raadskelder en Central , Tony Rademakers.

De komst van het NGL in de jaren zeventig en later nog het opgaan in de nieuwe Algemene onderwijsbond en de veranderde overlegstructuren in het Nederlands onderwijs betekende voor Bonaventura meer ruimte voor een inhoudelijke koers.  Het ging vooral en vanzelfsprekend meer over de wijze waarop het katholiek onderwijs zich waardenvol kon onderscheiden. De identiteitscommissie van de vereniging werd geleidelijk min of meer Bonaventura zelf. Zo keerde Bona, zo zou je kunnen zeggen,  terug tot het reeds in 1919 door het episcopaat opgelegde uitgangspunt: Geestelijke belangen eerst. Arbeidsvoorwaardelijke zaken en onderwijskundige ontwikkelingen werden slechts mede- behartigd. Het samengaan met de “rooien” van de a.b.o.p  in de AOb bezorgde een enkeling in de jaren negentig nog wat onnodige hoofdpijn. Want de AOb  werd voor ons een warm bad.  Vanwege de ruimte die wij kregen, de generositeit en het in ons gestelde vertrouwen is Bonaventura  het bestuur van de Algemene onderwijsbond erg veel dank verschuldigd. Wij konden en kunnen onze doelstellingen waar maken. Dat brengt terecht verplichtingen met zich mee. Inhoudelijk vinden deze  vandaag de dag vaak in eendrachtige samenwerking met onze protestants-christelijke broeders en zusters van het CVH0 plaats. Zonder anderen tekort te doen wil ik graag de namen noemen van enkele bestuurders die de afgelopen 30 jaar er in zijn geslaagd Bonaventura op een voortreffelijke manier binnen en buiten de Aob te vertegenwoordigen .Wim de Kok, Frank Seller en Cees Akerboom zij alle lof hiervoor. Gesteund natuurlijk door overige bestuurders, kaderleden en geestelijke adviseurs waarvan met name de bijdrage van pater Bert ten Berge genoemd mag worden. Ook opvallend was de afgelopen jaren ons aantal jonge vrouwelijke bestuursleden. Die helaas door verdere carriere-stappen in of buiten het onderwijs verloren gingen voor de vereniging. Zoals gezegd leidde de focus op identiteit vanaf de jaren negentig  tot allerlei succesvolle initiatieven. Bezinningsdagen, het project Identiteit in de vakkenlijn, gepubliceerde lezingen van Peter Nissen, Kees Waaijman en Frank Bosman, en de brochure bouwstenen van een bijzondere leraar. En zeker niet te vergeten de samen met CVHO tot stand gekomen digitale content: ”Beeldfiguren van het Christendom” en “Over een geloof en vijfhonderd jaar verdeeldheid” waar op veel scholen dankbaar gebruik wordt gemaakt. En die steeds met nieuw lesmateriaal worden uitgebreid.                                                                                                                                                         

Tot slot een korte bespiegeling over de toekomst van de onze vereniging en het katholiek onderwijs: Allereerst : Bona heeft momenteel dringend behoefte aan bestuurlijke versterking. Vanwege promotie tot schoolleider en wegens persoonlijke redenen haakten helaas twee vorig jaar verkozen bestuursleden af. Aarzel niet zou ik U willen zeggen. Ook al zijn we al een eeuw oud.                     

Terug nu naar de toekomst. Toen vanaf de jaren zestig de secularisering en dientengevolge ook een verregaande ontzuiling van de Nederlandse samenleving plaatsvond bleef het confessionele onderwijs als een  van de weinige pijlers van de verzuiling  overeind . De volgende vragen laten zich dan stellen. Hechtten zeer velen toch nog aan een opvoeding die duidelijke wortels heeft in de christelijke traditie en die ook waar wordt gemaakt in onderwijs en opvoeding? Of is juist de onzichtbaarheid hiervan op veel scholen van katholieke of protestants christelijke huize de reden van dit succes? Wordt er op confessionele scholen beter onderwijs gegeven of is het gewoon de school om de hoek?  Een duidelijk antwoord op deze vragen is niet eenvoudig. Zelf veertig jaar werkzaam geweest in het katholiek onderwijs en nog steeds actief in haar organisatorische verbanden zie ik ondanks secularisatie en ontkerkelijking zeker nog toekomst voor christelijk geïnspireerd onderwijs. Scholen zijn naast kennis- en opvoedingsinstituten vooral ook waardengemeenschappen. Wie weet wordt het ooit een betere wereld als kinderen worden opgevoed met het streven naar een wereld waar gerechtigheid, vrede en heelheid van de schepping uitgangspunten zijn. Scholen als plekken waar plaats is voor ieders talent, waar niemand wordt buitengesloten. Waar christelijke waarden als geloof, hoop, liefde, solidariteit, barmhartigheid, vergevingsgezindheid en onbaatzuchtigheid ook aan onze jeugd worden voorgeleefd. Ik ben er van overtuigd dat onze huidige extreem geïndividualiseerde en materialistische maatschappij hier dringend behoefte aan heeft. Op een dag als vandaag is er natuurlijk vooral reden tot feest en dankbaarheid maar er zijn helaas ook ontwikkelingen die mij de nodige zorgen baren. Er is dringend behoefte aan een katholieke kerk en haar gezagsdragers die gelovigen weer weet te inspireren in plaats van kleineren, die ruimte schept voor mensen in plaats van wegen afsluit. Om met Rik Torfs te spreken, een kerk die wellicht dringend aan een nieuwe reformatie toe is. Want het is simpel : zonder katholieken geen katholiek onderwijs. De secularisering zorgt er helaas ook voor dat in het katholieke onderwijs zelf op veel middelbare scholen de positie van het vak godsdienst/levensbeschouwing onder druk staat. En dat in een wereld waarin een moreel kompas bij de vorming van onze jeugd geen overbodige luxe is. Ook dragen enerzijds bepaalde extreme vormen van  gepersonaliseerd leren en een eenzijdige nadruk op cognitieve vermogens en anderzijds  bijv. te dure schoolreisjes en kostbare examentrainingen die leerlingen uitsluiten, niet echt bij aan een solidaire samenleving of verheffing van achtergebleven groepen zoals eens de katholieken zelf. De grondwetswijziging die in 1917 tot stand kwam biedt ons echter nog steeds ruimte  ook 100 jaar later waar te maken waar een katholieke school echt voor dient te staan. Hopelijk kan Bonaventura hier een waardevolle bijdrage aan blijven leveren en ligt een Buona Ventura , een mooie toekomst, voor ons in het verschiet.

 

Harrie Meelen


KLIK HIER OM DE LEZING ALS PDF TE DOWNLOADEN

    

E-mailen
Bellen
LinkedIn