Sint Bonaventura
Bezieling en bezinning in het onderwijs

Over de nieuwe conceptstatuten van de AOb

Standpunt van de afdelingen Sint Bonaventura en CVHO over Voorstel aanpassing omvang hoofdbestuur van de AOb.

(in onderstaande tekst zijn de verwijzingen weggevallen. In de download vindt u die wel)

Aanleiding
De aanleiding voor deze notitie is het Voorstel aanpassing omvang hoofdbestuur van de AOb waarin het voorstel gedaan wordt om het ‘hoofdbestuurslid uit de afdelingen’ te laten vervallen en deze samen te voegen met de hoofdbestuursleden uit de groepen gezamenlijk tot ‘één hoofdbestuurslid namens de groepen en afdelingen gezamenlijk’.  

(Dit voorstel komt in het voorjaar op de Algemene Vergadering van de AOb aan de orde)

Deze notitie licht toe waarom de besturen van beide afdelingen deze verandering in de samenstelling van het hoofdbestuur onwenselijk vinden. Relatie tussen statuten AOb en statuten van de afdelingen Dit voorstel tot aanpassing in de statuten betekent in onze optiek een fundamentele wijziging. Deze wijziging behelst niet alleen een wijziging in de positie van de afdelingen, maar ook een wijziging in de wijze waarop de belangen van de beide afdelingen in het hoofdbestuur worden behartigd. Indien de belangen van afdelingen en groepen bij één hoofdbestuurder worden ondergebracht, kan de suggestie ontstaan dat afdelingen en groepen aan elkaar worden gelijkgesteld. 

In de ‘Eindrapportage Verkenningsgroep afdelingen 2017 en verder’ wordt over de zienswijze waarbij afdelingen gezien worden als groepen het volgende opgemerkt: ‘Te vaak worden de afdelingen gezien als groepen. Dat is statutair onjuist en in strijd met de vastgestelde organisatiestructuur, zoals deze is neergeslagen in de tekst en het organogram van de brochure AOb-organisatiestructuur, maart 2013. Deze verkeerde zienswijze is schadelijk voor de AOb en voor de afdelingen, omdat de inzet van de AOb voor het confessioneel onderwijs hierdoor onderbelicht dreigt te worden en uit pr-oogpunt kansen onbenut blijven.’  Bovendien veronderstelt het Voorstel aanpassing omvang hoofdbestuur van de AOb een wijziging in het recht tot het stellen van kandidaten zoals vastgelegd in artikel 13.3 van de huidige statuten. Een recht dat voor de hoofdbestuurder uit de afdelingen volgens de huidige statuten toekomt aan de algemene vergadering van de afdelingen. Een soortgelijke formulering is reeds terug te vinden in de Akte van Fusie uit 1996.

In de statuten van Sint Bonaventura en CVHO is reeds sinds de fusie in 1996 artikel 5 opgenomen waarin staat: De vereniging heeft het recht samen met de vereniging CVHO één kandidaat voor te dragen ter benoeming in het hoofdbestuur van de AOb [Formulering in Statuten Sint Bonaventura]. De vereniging heeft het recht samen met de vereniging Sint Bonaventura één kandidaat voor te dragen ter benoeming in het hoofdbestuur van de AOb. [Formulering in Statuten CVHO]. Het is evident dat deze formuleringen in de statuten van beide afdelingen en het artikel dat toeziet op het recht tot kandidaatstelling voor het hoofdbestuur zoals verwoord in de statuten van de AOb een wederzijdse relatie veronderstellen en in samenhang tot elkaar gelezen moeten worden. 

Het Voorstel aanpassing omvang hoofdbestuur van de AOb leidt ertoe dat deze veronderstelde relatie eenzijdig verbroken wordt omdat het artikel 5 van de statuten van beide afdelingen buiten werking stelt. Het voorstel heeft dus gevolgen voor de relatie tussen de afdelingen en de AOb. In het kader van een zorgvuldige besluitvorming achten de besturen van beide afdelingen het wenselijk dat een dergelijk voorstel eerst in onderling overleg met hen besproken wordt. Overeenstemming over de wijze waarop we die relatie willen vormgeven gaat vooraf aan het wijzigen van de statuten van de AOb. De formalisering van deze relatie vindt niet alleen plaats in de statuten van de AOb, maar ook in de statuten van beide afdelingen. Wijzigingen in de statuten van de afdelingen komt echter toe aan de afdelingen zelf, waarbij deze wijzigingen, nadat ze zijn aangenomen door de algemene vergaderingen van de afdelingen, worden voorgelegd ter goedkeuring aan het hoofdbestuur. 

Historische achtergrond
‘De verzuilde lerarenverenigingen’ vormden voor de fusie in 1996 de basis van het NGL. In het fusierapport De komst van een nieuwe onderwijsbond wordt vermeld dat ‘de organisatie … het beginsel van vrijheid van onderwijs, zoals vastgelegd in artikel 23 van de Grondwet, [beschouwt] als een bijzonder waardevol element van de verdraagzame samenleving waarnaar ze streeft.’

De ontstaansgeschiedenis van beide afdelingen is nauw verweven met de invoering van artikel 23 van de Grondwet. 54,2 % van alle leerlingen in het funderend onderwijs bezoeken een school op protestants-christelijke of rooms-katholieke grondslag. Statutair gezien hebben beide afdelingen naast ‘het nastreven van de doelstelling van de AOb’ ook als doel ‘het behartigen van de specifieke belangen ... van het onderwijs dat tot de belangenbehartiging van de vereniging behoort.’ 

De belangenbehartiging door de afdelingen Bonaventura en CVHO werd door de AOb steeds gezien ’als ondersteuning van de levensbeschouwelijke pluriformiteit van het onderwijs’. De structuur waarbij de afdelingen zelfstandige verenigingen zijn en vertegenwoordigd zijn, hebben duidelijke historische wortels die teruggaan op de gesprekken over de plaats van de lerarenverenigingen binnen het NGL tijdens de fusiebesprekingen met de ABOP. Bij de fusie is er destijds nadrukkelijk voor gekozen dat de afdelingen een eigen rechtspersoonlijkheid hebben. Het bestaan van afdelingen binnen de AOb moest dan ook recht doen aan het bestaan van de zelfstandige lerarenverenigingen binnen het NGL. Dit blijkt duidelijk uit de benoemde overgangssituatie in het fusierapport waarbij tot 1 januari 2001 de voorzitters van de vier afdelingen van het NGL lid van het hoofdbestuur van de AOb zijn geweest. Na de overgangsperiode zouden de vier (!) afdelingen door twee HB'ers vertegenwoordigd worden binnen het hoofdbestuur, één afkomstig uit de confessionele afdelingen en één uit de niet-confessionele afdelingen. Het laten vervallen van de HB'er uit de afdelingen komt neer op een breuk met dit verleden. 

Hoewel de AOb inmiddels 25 jaar bestaat en de afdelingen Algemeen Bijzonder Onderwijs en Openbaar Onderwijs zijn omgevormd tot groepen met een groepsraad, geldt voor de beide afdelingen nog steeds dat ‘deze principiële opstelling uit het midden van de jaren negentig van de vorige eeuw … niets aan geldigheid [heeft] ingeboet.’ Om de afdelingen nadrukkelijk aan de AOb te verbinden is er in de statuten voor bepaalde formuleringen gekozen. Zo is één van de doelen van de afdelingen ‘het nastreven van de doelstellingen van de AOb’. En daar waar ‘de vereniging … het recht [heeft], na overleg met het hoofdbestuur van de AOb, haar eigen standpunt te verkondigen in zoverre dit naar de mening van de vereniging op grond van principieel levensbeschouwelijk inzicht, afwijkt van dat van de AOb’ laat ‘dit recht van verkondiging ... de loyale erkenning van een in enig besluitvormend orgaan van de AOb genomen besluit onverkort’. Bovendien behoeven wijzigingen van de statuten na instemming door de algemene ledenvergadering van de afdelingen ook de goedkeuring van het hoofdbestuur.

 Beide afdelingen zijn dus als verenigingen zelfstandige rechtspersoon, waarbij statutair is vastgesteld dat de doelstellingen van de AOb worden nagestreefd en een loyale erkenning van een in enig besluitvormend orgaan van de AOb genomen besluit wordt verwacht. Het is dan ook alleszins redelijk dat de afdelingen - die zowel een eigen juridische status hebben als verbonden zijn met de AOb - in het hoofdbestuur door een HB’er uit de afdelingen vertegenwoordigd worden, die meespreekt in de beleidvorming van de AOb en daarbij specifiek de belangen op het oog kan houden van de denominatieve afdelingen. In de huidige situatie kennen we een hoofdbestuurder uit één van de afdelingen. In de nieuwe situatie wordt er gesproken over ‘één hoofdbestuurslid namens de groepen en afdelingen gezamenlijk’. Wij hechten aan één hoofdbestuurslid uit de afdelingen zoals historisch gezien de bedoeling was waarbij een van de uitgangspunten van de structuur van de nieuwe vereniging ’het creëren van voorwaarden voor een optimale invloed van de leden op het beleid’ was, waarbij recht gedaan werd aan ’zowel de gemeenschappelijke en specifieke belangen van de leden’ en ’de bestaande structuren in ABOP en NGL’. Levensbeschouwelijke binding Een dergelijke eigen hoofdbestuurder heeft het vertrouwen van de afdelingen omdat deze een (levensbeschouwelijke) binding heeft/voelt met één van de afdelingen. De Eindrapportage Verkenningsgroep 2017 en verder vermeldt dat ‘op de terreinen van onderwijspolitiek en onderwijsinhoud … een inbreng vanuit levensbeschouwelijke optiek meestal [wordt] geleverd door de vertegenwoordiger [uit de afdelingen] in het Hoofdbestuur.’ In het rapport wordt tevens aangegeven dat het beter is dat de besturen van beide afdelingen zelf meer betrokken zijn bij het formuleren van onderwijsinhoudelijke AOb-standpunten voor zover ze hun werkterrein regarderen.

Het samenbrengen van de afdelingen en de groepen onder één HB’er brengt het risico met zich mee dat de besturen van beide afdelingen juist minder betrokken worden bij het formuleren van deze standpunten in plaats van meer. Reden hiervoor is dat een HB’er vanuit de afdelingen een actieve binding heeft met de levensbeschouwelijke tradities waarbinnen de afdelingen staan en vandaaruit zich veel meer bewust zal zijn dat bepaalde onderwijsinhoudelijke discussies binnen het hoofdbestuur raken aan levensbeschouwelijke standpunten. Een HB’er vanuit de afdelingen zal dan ook sneller geneigd zijn om actief de besturen van beide afdelingen te betrekken bij het formuleren van onderwijsinhoudelijke AOb-standpunten over het waartoe van onderwijs, dan een HB’er ’namens de groepen en afdelingen gezamenlijk’. Conclusie Sint Bonaventura en CVHO zijn als verenigingen zelfstandige rechtspersonen met eigen statuten. Deze statuten behoeven de goedkeuring van het hoofdbestuur. Dit betekent dat de geldige statuten de goedkeuring van het hoofdbestuur hebben. De statuten van beide afdelingen en de statuten van de AOb hebben een relatie met elkaar. Zowel de huidige statuten van de AOb (2011) als de statuten van beide afdelingen erkennen het recht op kandidaatstelling voor één lid van het hoofdbestuur. Uit zowel de huidige statuten van de AOb, de Akte van Fusie AOb als het fusierapport De komst van een nieuwe onderwijsbond blijkt dat het hierbij gaat om een kandidaat uit de afdelingen. Een wijziging in het aantal hoofdbestuurders waarbij de afdelingen en groepen gezamenlijk worden vertegenwoordigd door één hoofdbestuurder is niet alleen een wijziging in de samenstelling van het hoofdbestuur maar ook een wijziging in de relatie tussen AOb en de beide afdelingen zoals geformaliseerd in zowel de statuten van de AOb als de statuten van beide afdelingen. De relatie zoals die nu bestaat, heeft historische wortels en gaat terug op gesprekken over de positie van de zelfstandige lerarenverenigingen binnen het NGL na de fusie met de ABOP. De besturen van beide afdelingen vinden het niet wenselijk dat de belangen van twee te onderscheiden geledingen van de AOb (afdelingen en groepen) onder één hoofdbestuurder komen waarbij de schijn ontstaat dat afdelingen en groepen aan elkaar gelijkgesteld moeten worden. De belangen van de afdelingen kunnen het beste behartigd worden door een HB’er die een binding heeft/voelt met het levensbeschouwelijke karakter van de afdelingen en het onderwijs dat tot de belangenbehartiging van de afdelingen behoort. Indien de Algemene Onderwijsbond een brede bond wil zijn die het onderwijs in de volle breedte kan vertegenwoordigen, dan gaat dit niet alleen over alle sectoren van het onderwijs maar ook over het gehele onderwijs in de zin van confessioneel, algemeen bijzonder en openbaar. Een dergelijke brede vertegenwoordiging wordt dan niet alleen zichtbaar in het bestaan van beide afdelingen, maar ook in de vertegenwoordiging hiervan in het hoofdbestuur. Algemeen kan dan een inclusieve term zijn, waarbij diversiteit als een meerwaarde en kracht wordt gezien, niet slechts in termen van aantallen, maar ook in het formuleren en uiten van onderwijsinhoudelijke AOb-standpunten. - namens de besturen van de afdelingen Sint Bonaventura en CVHO

E-mailen
Bellen
LinkedIn